Het hanenei (in voorbereiding - 2022)

Beginfragment


De oude boerin vertelde dat zij de afgelopen nacht op het pad achter haar erf een stoet dieren voorbij had zien trekken. Voorop kronkelde een waterslang in een wit laken gehuld, gevolgd door een snaterende eend die dronken leek, zozeer wankelde deze van de ene naar de andere kant van het pad. Dit allemaal wist zij zeker en ook dat het volle maan was geweest. De andere dieren waren vaag geworden in haar troebele geheugen, sprak ze aarzelend - ze zwommen, vlogen, klommen en trippelden -, maar ze durfde niet bij God te zweren welke dieren het waren geweest.

De politieagente schudde haar hoofd.

     ‘En aan het slot van de stoet? Daarnet sprak u over het slot van de stoet,’ probeerde de politieagente toch iets wijzer te worden, maar in gedachten had ze de moed opgegeven.

De oude boerin sloot haar ogen en begon over haar hele lichaam te beven, terwijl ze hulpeloos haar trillende handen vooruit stak over de tafel waaraan ze zaten. De politieagente stond op en ging achter haar staan.

     ‘Het moet iets vreselijks zijn geweest,’ fluisterde ze in het oor van de boerin en legde een hand op haar bevende schouder. ‘Probeert u het zich te herinneren, alstublieft. Vannacht hoorde u buiten kabaal, u stond op en u keek naar buiten. Daar zag u een stoet dieren voorbijtrekken met een witte waterslang voorop. En achteraan de stoet zag u…?’

De boerin sloeg haar hand voor haar mond en stamelde:

    ‘Aan het slot van de stoet gleed een kurken vlot over het pad met daarop een klein fluwelen kussen en op dat kussen … op dat kussen lag een ei, een ei zo prachtig als ik in heel mijn leven niet heb gezien.’

De agente deed haar aantekenboekje dicht. Ze vroeg zich af of de boerin nog wel alles op een rijtje had.

    ‘Uw zoon woont bij u in, is het niet? Heeft híj vannacht niets opgemerkt?’

    ‘Hendrik slaapt als een os. En toen ik hem vanmorgen het verhaal vertelde, keek hij me stomverbaasd aan. “Je hebt vast gedroomd, mam,” en hij nam nog een dubbele boterham. En toch, ik zweer u bij de lieve God almachtig, dat mijn eigen ogen me niet hebben bedrogen.’

    ‘Mevrouw, we gaan dit raadsel oplossen. Mogelijk dat we meer getuigen vinden die ons verder kunnen helpen. En maakt u zich alstublieft geen zorgen. Ik denk niet dat de stoet dieren uw nachtrust nog eens zal verstoren.’

*

(...)